28
Views

Het cijfer markeert een keerpunt: in 2026 zal het totale budget van de World Tour-teams voor het eerst meer dan 650 miljoen euro bedragen. Dat blijkt uit de financiële rapporten die aan de UCI werden overgemaakt en die de trend bevestigen: het topwielrennen vestigt zich in een nieuwe economische dimensie, beter gestructureerd, maar ook sterker gepolariseerd.

Sinds 2021 is de groei onafgebroken. In vijf seizoenen is het gecumuleerde budget van de eerste divisie gestegen van ongeveer 370 miljoen tot meer dan 650 miljoen euro. Na de inhaalbeweging na Covid is de groei genormaliseerd. Ze is niet langer conjunctureel, maar structureel en wordt gedragen door de toegenomen aantrekkingskracht van de sport en de komst van partners die op lange termijn kunnen investeren.

Een financiële elite

Deze inflatie komt echter ten goede aan een beperkte groep teams. UAE Team Emirates domineert het landschap met een geraamd budget van ongeveer 65 miljoen euro. De strategie steunt op een concentratie van middelen: een brede kern, langlopende contracten en het vastleggen van de kopmannen. Het jaarlijkse salaris van Tadej Pogacar, geschat op ongeveer 8 miljoen euro exclusief premies en persoonlijke sponsoring, symboliseert deze ongeziene schaalvergroting in het moderne wielrennen.

Daarachter heeft zich een tweede groep gevormd. Visma-Lease a Bike en INEOS Grenadiers beschikken inmiddels over jaarlijkse budgetten tussen 50 en 55 miljoen euro. Red Bull-BORA-hansgrohe, versterkt door de komst van Remco Evenepoel, en Lidl-Trek situeren zich rond 45 miljoen euro. Deze teams hebben een kern die diep genoeg is om renners aan te trekken die elders een hoofdrol zouden kunnen spelen.

© Luca Bettini / Sprintcyclingagency/Bettini/Photo News

Stijgende lonen

De stijging van de budgetten weerspiegelt zich ook in de lonen. De totale loonmassa van de World Tour blijft toenemen, met een gemiddeld bruto jaarsalaris dat nu meer dan 500.000 euro bedraagt, tegenover iets meer dan 370.000 euro in 2021. Dat gemiddelde blijft echter misleidend: een steeds groter deel van de inkomsten concentreert zich bij de topteams, terwijl de meerderheid van het peloton werkt met budgetten tussen 20 en 30 miljoen euro.

Een peloton met twee snelheden

Deze polarisatie hertekent onvermijdelijk de verhoudingen. De fusie Lotto–Intermarché illustreert deze realiteit: een solide structuur, maar geconfronteerd met tegenstanders die over twee keer zoveel middelen beschikken. In een World Tour met twee snelheden gaat de inzet verder dan louter occasionele prestaties. Het draait om het behouden van talent, het vooruitkijken en het opvangen van mindere seizoenen.

Het gemiddelde budget per team ligt nu dicht bij 36 miljoen euro. Uiteraard blijft het wielrennen ver verwijderd van de financiële standaarden van het voetbal of de Formule 1, maar het is duidelijk van schaal veranderd. Wat dat concreet zal opleveren, moet nog blijken.

Categorie:
Wielrennen

Een reactie achterlaten

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *